FR | EN | DE


Ter informatie staan hier enkele uittreksels uit de Belgische wetgeving met betrekking tot roken:

Ontwerp van Koninklijk besluit tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen, zoals restaurants (ontwerp van het KB van minister Demotte in mei 2005)

Het koninklijk besluit van 15 mei 1990

15 MEI 1990. - Koninklijk besluit tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen.
Bron : VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 13-06-1990
Inwerkingtreding : 01-01-1991 *** 01-05-1991 (ART. 5)
Dossiernummer : 1990-05-15/30


Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Roken : het roken van tabak, van produkten op basis van tabak of van soortgelijke produkten.
2° Rookverbodsteken : het in bijlage opgenomen symbool.
3° Gesloten plaats : de plaats gewoonlijk door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een zoldering.
Art. 2. § 1. Het is verboden te roken in gesloten plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek en die deel uitmaken van inrichtingen of gebouwen waar :
1° al dan niet tegen betaling, aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden;
2° zieken of bejaarden worden opgevangen of verzorgd;
3° preventieve of curatieve gezondheidszorgen worden verstrekt;
4° kinderen of jongeren op schoolgaande leeftijd worden opgevangen, gehuisvest of verzorgd;
5° onderwijs en/of beroepsopleiding worden verstrekt;
6° vertoningen plaatsvinden;
7° tentoonstellingen worden georganiseerd;
8° sport wordt beoefend.
§ 2. De bepalingen vermeld in § 1, zijn niet van toepassing op de plaatsen waar als voornaamste activiteit voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden en waarvan de oppervlakte niet meer dan 50 m2 bedraagt.
Art. 3. § 1. In de in (artikel 2, § 1, 1°) bedoelde inrichtingen en gebouwen mogen duidelijk begrensde ruimten worden voorbehouden aan de rokers. Deze ruimten moeten aangeduid worden door allerhande middelen die toelaten ze te situeren. Zij moeten zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers maximaal verminderd worden. <KB 1991-02-07/34, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Tot 31 december 1992 moet de oppervlakte van de ruimten die mogen voorbehouden worden aan rokers kleiner zijn dan 2/3 van de totale oppervlakte van de gesloten plaats. Na deze datum mag deze oppervlakte niet meer bedragen dan de helft van de totale oppervlakte van de gesloten plaats.
§ 2. In alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden, en waar in toepassing van artikel 2, § 2, en artikel 3, § 1, effectief mag gerookt worden, moet een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem geïnstalleerd zijn dat de rook verwijdert.
Art. 4. De beheerders van de plaatsen waarin het volgens de bepalingen van dit besluit verboden is te roken, brengen in deze plaatsen één of meer rookverbodstekens aan zodanig dat eenieder die aanwezig is, er kennis kan van nemen.
De in het eerste lid bedoelde rookverbodstekens mogen worden vervangen door aan iedere ingang van de inrichting of het gebouw rookverbodstekens, samen met de vermelding : " Voorbij dit verbodsteken is het in de gehele inrichting (of : in het gehele gebouw) verboden te roken ", op leesbare wijze aan te brengen.
Art. 5. De Minister en de Staatssecretaris die de Volksgezondheid tot hun bevoegdheid hebben, bepalen de voorwaarden waaraan de gesloten ruimten bedoeld in artikel 3, § 2 van dit besluit, moeten beantwoorden.
Art. 6. Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vervolgd en gestraft overeenkomstig de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten, gewijzigd door de wet van 22 maart 1989.
Art. 7. Het koninklijk besluit van 31 maart 1987 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen wordt opgeheven.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de zevende maand volgend op zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad.
(Artikel 5 wordt echter van kracht op 1 mei 1991.) <KB 1991-01-02/48, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-02-1991>
Art. 9. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Staatssecretaris voor Volksgezondheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Bijlage.
Art. N. Rookverbodsteken. <Niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 13-06-1990, p. 12065>
Dit rookverbodsteken dient een diameter van minstens 9 cm te hebben en dient te worden uitgevoerd in de volgende kleuren :
Grond : wit;
Afbeelding sigaret : zwart;
Rand en dwarsbalk : rood.

Gelet op de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten, gewijzigd door de wet van 22 maart 1989, inzonderheid op artikel 7, § 3;
Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 17 mei 1989;
Overwegende de Resolutie van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de Ministers van Volksgezondheid van de lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, van 18 juli 1989 betreffende het rookverbod in ruimten bestemd voor het ontvangen van publiek (89/C/189/01);
Gelet op het advies van de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en van Onze Staatssecretaris voor Volksgezondheid,
.....

Wijziging(en)
GEWIJZIGD DOOR
· KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-02-1991 GEPUBL. OP 19-04-1991
(GEWIJZIGD ART. : 3)
· KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-01-1991 GEPUBL. OP 22-01-1991
(GEWIJZIGD ART. : 8)

19 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook (B.S., 3 maart 2005)

VERSLAG AAN DE KONING

Het ontwerp van koninklijk besluit waarvan wij de eer hebben het ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen, is een onderdeel van het federaal plan ter bestrijding van het tabaksgebruik.
In het verlengde van het recht op een rookvrij sociaal klimaat wil dit ontwerp de omgevingsrook in de werkruimten aanpakken. Het blijkt niet zo vanzelfsprekend te zijn om het recht op een rookvrije werkruimte in de praktijk af te dwingen.
De bepalingen van het Algemeen Reglement voor arbeidsbescherming (ARAB) laten in onvoldoende mate toe om een rookvrije werkruimte te garanderen.
Omwille van de algemene maatschappelijke evolutie op het vlak van roken en rekening houdend met de steeds strengere eisen ten opzichte van blootstelling aan tabaksrook op de arbeidsplaats vanuit kwaliteits-, veiligheids- en gezondheidsoverwegingen, hebben we het huidig hoffelijkheidsprincipe ten aanzien van het roken op het werk vervangen door een duidelijkere benadering, gericht op het niet roken.
Door dit besluit wordt het recht op een rookvrije werkruimte en sociale voorzieningen ingevoerd.
Om dit recht vorm en inhoud te geven wordt een rookverbod in de werkruimte ingevoerd.
Roken is enkel mogelijk in lokalen die geen werkruimten zijn en die daartoe op uitdrukkelijke wijze aangewezen zijn. De mogelijkheid van een rookkamer creëert geen recht op dergelijke plaatsen.
Roken in de rookkamer kan enkel toegestaan worden in overleg met het personeel.
Het rookverbod geldt niet voor werkzaamheden in open lucht.
Het rookverbod voorzien in dit ontwerp van koninklijk besluit geldt niet in horecazaken waar het roken voor het publiek is toegelaten. Het rookverbod geldt wel op alle andere plaatsen in horecazaken zoals de keukens, opslagplaatsen, wasserij en dergelijke.
Commentaar bij de artikelen :
Artikel 1. Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied.
Art. 2. Punt 1 van dit artikel voorziet enkel in een uitzondering op een rookvrije werkruimte in de voor publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen waar het toegelaten is om te roken.
Punt 2 is een uitzondering op het rookverbod voor als private vetrekken te beschouwen gesloten plaatsen van instellingen van maatschappelijke dienstverlening zoals rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, psychiatrische instellingen, instellingen voor personen met een handicap en voor bijzondere jeugdzorg en gevangenissen waar bewoners en niet-bewoners mogen roken onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd door deze instellingen en die specifiek voor hen bestemd zijn.
Het punt 3 voorziet een uitzondering voor de privé-woningen. Deze uitzondering geldt echter niet in de ruimten van deze woningen die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar een werkgever werknemers tewerkstelt, bijvoorbeeld een naaiatelier of een timmermanswerkplaats in een privé-woning.
Art. 3. Deze bepaling omschrijft de begrippen werkruimte, sociale voorzieningen en rookkamer.
De gesloten ruimte binnenin de onderneming omvat naast de werkplaatsen de inkomhal, gangen, trappen, liften, verbindingsruimten, gesloten parkeergarages.
Een open ruimte binnenin de onderneming is bijvoorbeeld de garage.
De werkruimte omvat ook de werkplaatsen buiten de onderneming, bijvoorbeeld werfketen, cabines van vrachtwagens, bestelwagens, dienstwagens.
De werkruimte in open lucht valt niet onder het rookverbod, bijvoorbeeld de binnenkoer.
Art. 4. Deze bepaling geeft de werknemer het recht om te beschikken over een werkruimte en sociale voorzieningen die vrij zijn van tabaksrook. De werknemer heeft het recht op tabaksrookvrije lucht waar hij tewerkgesteld is.
Art. 5. Hier wordt aangegeven op welke wijze de werkgever dit recht moet waarborgen.
Dit artikel omvat het rookverbod in de werkruimte en voorziet de mogelijkheid toe te laten dat er enkel mag gerookt worden in een rookkamer.
Een dergelijke toelating kan enkel gegeven worden na overleg met het personeel.
In dit verband wordt erop gewezen dat de mogelijkheid van een rookkamer geen recht op een rookkamer creëert.
Bovendien is het zo dat in ondernemingen waar er geen overleg wordt georganiseerd, het rookverbod onverkort geldt.
Het artikel voorziet ook dat het gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk rookvrij is.
Art. 6. In punt 1 wordt bepaald dat de werkgever er moet voor zorgen dat alle personen, die in welke hoedanigheid ook, het bedrijf betreden, het recht van de werknemers op een rookvrije werkomgeving moeten respecteren.
Art. 7. De artikelen 4, 5 en 6 worden pas van kracht op 1 januari 2006, maar de werkgever heeft vóór 1 januari 2006 verplichtingen ter beperking van tabaksgebruik.
Hij wordt verplicht om een algemeen beleid te voeren met het doel tabaksgebruik te beperken in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem. Daardoor is er overleg met het personeel los van het overleg over de plaatsen waar nog mag gerookt worden na 1 januari 2006. De werkgever is in navolging van dit besluit niet verplicht de kosten te dragen die stoppen met roken voor een werknemer meebrengt.
De werkgever is in navolging van dit besluit niet verplicht sensibiliserings- en informatieacties te organiseren, noch programma's voor rechtstreekse bijstand bij het stoppen van roken te ontwikkelen, noch informatie te verstrekken aan de werknemers over de gespecialiseerde instellingen op dit vlak.
Art. 8. Artikel 148decies 2. 2bis van het ARAB, dat roken betreft, wordt opgeheven omdat door dit besluit een nieuwe benadering ingevoerd wordt. Art. 9. Dit artikel geeft het besluit een plaats in de structuur van de Codex.
Art. 10. Dit besluit beoogt het vaststellen van twee afzonderlijke data van inwerkingtreding.
Volgens dit artikel wordt het besluit van kracht op de eerste dag van de maand na die waarin het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt.
Deze korte termijn geldt niet voor de artikelen 4, 5 en 6. Dit houdt in dat het rookverbod, de mogelijkheid van een rookkamer en de informatie hierover naar derden in werking treden op 1 januari 2006.
Op deze wijze hebben de werkgevers de tijd om maatregelen te nemen en hebben de werknemers de tijd om zich voor te bereiden op het rookverbod.
De Minister van Werk,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
19 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook (1)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002;
Gelet op het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid op artikel 148decies 2. 2bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1993;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 27 februari 2004;
Gelet op advies 37.764/1 van de Raad van State, gegeven op 18 november 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Werk,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, a) tot d) en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing op :
1° alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden en waar het toegelaten is te roken, met toepassing van de artikelen 2, § 2, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen;
2° de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners mogen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd;
3° privé-woningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers worden tewerkgesteld.
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1° de wet : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
2° werkruimte :
a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of in een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;
b) en elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of inrichting waar de werknemer toegang tot heeft;
3° sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en de lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;
4° rookkamer : lokaal waar gerookt mag worden en dat uitsluitend daartoe bestemd is;
5° het Comité : het Comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis hiervan, de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis hiervan, de werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet
Art. 4. Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook.
Art. 5. § 1. De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.
§ 2. In afwijking van het verbod bedoeld in § 1, bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorafgaand advies van het Comité.
Deze rookkamer wordt afdoende verlucht.
De regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgelegd, na voorafgaand advies van het Comité.
Deze regeling mag geen ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaken.
Art. 6. De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen die hij toepast overeenkomstig dit besluit.
Art. 7. § 1. Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 5 en 6 van dit besluit, voert de werkgever, in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem, een algemeen beleid in om het gebruik van tabak in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken.
§ 2. Het algemeen beleid bedoeld in § 1 :
1° legt de maatregelen alsook de toepassingsregels vast nodig om het tabaksgebruik in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken en neemt, zo nodig, de bijkomende materiële maatregelen om hinder te wijten aan omgevingstabaksrook uit te schakelen;
2° wordt ter kennis gebracht van alle werknemers.
Art. 8. Art. 148decies 2. 2bis van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1993, wordt opgeheven.
Art. 9. De bepalingen van de artikelen 1 tot 7 vormen afdeling II van hoofdstuk I van titel III van de Codex over het welzijn op het werk met de volgende opschriften :
« Titel III. - Arbeidsplaatsen. »;
« Hoofdstuk I. - Basiseisen. »;
« Afdeling II. - Bescherming van de werknemers tegen tabaksrook ».
Art. 10. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 4, 5 en 6 die in werking treden op 1 januari 2006.
Art. 11. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 19 januari 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
_______Nota's
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :
Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996.
Wet van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999.
Wet van 11 juni 2002, Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002.
Besluit van de Regent van 11 februari 1946, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 april 1946.
Besluit van de Regent van 27 september 1947, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 oktober 1947.
Koninklijk besluit van 31 maart 1993, Belgisch Staatsblad van 26 mei 1993.